De 18e en 19e eeuw

 

In de 18e en 19e eeuw werd sociale druk bij kinderen vooral van buitenaf opgelegd. Depaepe (2023) beschrijft dat het lager onderwijs in het Ancien Régime sterk bepaald werd door de Kerk. Schoolmeesters namen de rol van “een soort sub-clerus” op en de leerstof was “primair op de catechismus afgestemd”. Volgens Depaepe “werd de school aldus een verlengstuk van de Kerk”.

  • Dit toont dat het onderwijs in deze periode vooral gericht was op religieuze vorming en een sterk richtinggevend karakter had, met een nadruk op gehoorzaamheid, discipline en opvoedkundige waarden. Daardoor lagen de verwachtingen tegenover kinderen vast en kwamen ze voornamelijk van kerk en school, wat wijst op een vorm van sociale druk die van buitenaf werd opgelegd.

 

Naast religieuze vorming speelde ook sociale afkomst een belangrijke rol in de verwachtingen tegenover kinderen. Depaepe toont bovendien ook aan van de Belgische onafhankelijkheid tot de eerste schoolstrijdarmenscholen en werkscholen deel uitmaakten van het lager onderwijs. In werkscholen verrichtten kinderen eenvoudige arbeid naast basislessen (Depaepe, 2023).

  • Dit betekent dat onderwijs voor kinderen uit armere gezinnen vaak functioneerde binnen een kader van arbeid en discipline, wat hun maatschappelijke kansen beperkte.

 

Vanaf het midden van de 19e eeuw werd het onderwijs bovendien sterker gereguleerd door wetgeving, wat nieuwe vormen van druk met zich meebracht. Zo verplichtte de organieke wet van 1842 elke gemeente om een lagere school te hebben, waarbij de kerk “een exclusief toezicht op het godsdienstonderwijs” kreeg. Volgens Depaepe (2023)  gaf deze wet “aanleiding tot de eerste schoolstrijd”, waarbij katholieke gezinnen het gemeentelijk onderwijs boycotten en de clerus druk uitoefende op wie voor neutraal onderwijs koos.

  • Deze praktijken tonen aan dat schoolkeuzes niet louter pedagogisch waren, maar sterke levensbeschouwelijke verwachtingen meebrachten. Voor gezinnen en kinderen betekende dit dat zij zich moesten schikken naar de normen van hun religieuze gemeenschap, wat wijst op een duidelijke vorm van sociale druk. Deze levensbeschouwelijke druk was bovendien ook aanwezig in het maatschappelijke leven (De Wever et al., 2020, p. 18).

 

Ook taal speelde een rol in de druk die kinderen ervaarden. Depaepe (2023) schrijft dat “de beheersing van het Frans als een kenmerk van de sociale elite fungeerde” en dat het daarom “aangewezen was de kinderen zo vroeg mogelijk in het bad van de Franstalige opvoeding onder te dompelen”. Hij toont ook dat de verfransing van het Vlaamse onderwijs “wel degelijk voelbaar” was in de lagere school. Hieruit blijkt dat kinderen soms onderwijs kregen in een taal die niet hun moedertaal was, wat van hen culturele aanpassing vroeg aan de normen en verwachtingen van de dominante cultuur. Bovendien kreeg de volksschool naast haar religieuze taak ook een maatschappelijke opdracht: ze moest “brave, ordentelijke en vlijtige burgers” afleveren (Depaepe, 2023).

  • Dat toont dat scholen niet alleen kennis aanleerden, maar ook gedrag vormden, waarbij duidelijke gedragsverwachtingen werden opgelegd, wat kan worden gezien als een vorm van sociale druk voor kinderen.